regelgeving projectoproep Mondiale Uitdagingen

Uit het Decreet van 22 juni 2007 inzake ontwikkelingssamenwerking 

(Definitie en doelstellingen)
Art. 2.

In dit decreet wordt verstaan onder :

18° ontwikkelingseducatie : activiteiten die actief burgerschap stimuleren door inzichten, houdingen en gedragingen van mensen te ontwikkelen opdat ze via individuele of collectieve actie meewerken aan de uitbouw van een meer solidaire en duurzame mondiale samenleving;

TITEL VIII. Ontwikkelingseducatie

Art. 17.

Het Vlaamse beleid inzake ontwikkelingseducatie richt zich op de Noord-Zuidproblematiek in een breder mondiaal perspectief. Het heeft als algemene doelstelling de verbreding, binnen de Vlaamse Gemeenschap, van een draagvlak voor internationale samenwerking in het algemeen en voor de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking in het bijzonder.

Het heeft de volgende specifieke doelstellingen :
1° educatieve activiteiten ondersteunen;
2° vernieuwing en versterking stimuleren in het educatieaanbod, vooral op het vlak van behandelde thema's, beoogde doelgroep en gebruikte werkvormen;
3° samenwerkingsverbanden bevorderen tussen diverse actoren in het educatieproces;
4° bijdragen tot de uitbouw van een kwalitatief en gecoördineerd aanbod van ontwikkelingseducatie.

Uit het Besluit van de Vlaamsde Regering tot uitvoering van het kaderdecreet van 22 juni 2007 inzake ontwikkelingssamenwerking:

Hoofdstuk 3 Ontwikkelingseducatie

Afdeling 1 Reguliere projecten inzake ontwikkelingseducatie

Onderafdeling 1 Voorwaarden voor de toekenning van een projectsubsidie

Art. 15.
Binnen de perken van de daarvoor bestemde begrotingskredieten kan de minister projectsubsidies toekennen aan initiatieven inzake ontwikkelingseducatie.

Art. 16.
De minister kan projecten alleen subsidiëren als aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° het projectvoorstel wordt ingediend met het standaardformulier dat daarvoor ter beschikking wordt gesteld;
2° het projectvoorstel wordt ingediend door een samenwerkingsverband tussen een hoofdindiener, die de eindverantwoordelijkheid heeft voor het project, en één of meer andere publieke of private rechtspersonen uit het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
3° het samenwerkingsverband kan aantoonbare kennis en ervaring voorleggen op het vlak van ontwikkelingssamenwerking en educatie;
4° de partners in het samenwerkingsband kunnen een ondertekende intentieverklaring voorleggen dat elk van hen een inbreng van eigen middelen zal doen, op financieel, materieel, personeel of logistiek vlak;
5° de looptijd van het project bedraagt maximaal drie jaar.

Art. 17.
§ 1. De minister maakt de oproep voor de indiening van projectvoorstellen inzake ontwikkelingseducatie bekend, samen met het daarvoor bestemde standaardformulier.
Hij kan prioriteiten vastleggen voor thema's van projecten of voor specifieke doelstellingen van het beleid. Die prioriteiten worden in dat geval expliciet vermeld in de oproep.
§ 2. Het samenwerkingsverband verduidelijkt in het projectvoorstel :
1° de visie en uitvoeringsstrategie van het project op middellange termijn;
2° een gedetailleerde begroting;
3° de noden, behoeften en karakteristieken van de doelgroep;
4° de kennis en ervaring van de partners in het samenwerkingsverband op het vlak van ontwikkelingssamenwerking of educatie;
5° de educatieve methode die gehanteerd zal worden;
6° de strategie inzake interne voortgangscontrole en evaluatie, met vermelding van de daarvoor gehanteerde indicatoren.
§ 3. De periode voor het indienen van projectvoorstellen wordt afgesloten op de laatste dag van de derde maand die volgt op de bekendmaking van de oproep. Projectvoorstellen die na die dag worden ingediend, zijn niet ontvankelijk.

Art. 18.
De minister kent de subsidies toe op basis van een kwalitatief beoordelingskader, op grond waarvan de aanvragen op een eenvormige wijze worden gequoteerd, en neemt zijn beslissing uiterlijk drie maanden na de afsluiting van de indieningsperiode.
Dit kwalitatieve beoordelingskader omvat de volgende criteria :
1° de samenstelling van het samenwerkingsverband en de meerwaarde ervan;
2° de effectieve betrokkenheid van de doelgroep;
3° de relevantie van het onderwerp vanuit het perspectief van de Noord-Zuidproblematiek, vermeld in artikel 2, 18°/1, van het kaderdecreet van 22 juni 2007 inzake ontwikkelingssamenwerking;
4° de mate van verbreding en vernieuwing;
5° de educatieve methode en de duurzaamheid van het voorstel;
6° de strategie van het samenwerkingsverband inzake interne voortgangscontrole en evaluatie;
7° de verhouding tussen het bedrag van de gevraagde subsidie en van de verschillende begrotingsposten enerzijds, en de te verwachten resultaten anderzijds;
8° in voorkomend geval, de aandacht voor de door de minister vastgelegde prioriteiten.
De minister geeft in de oproep aan welk gewicht aan de verschillende criteria wordt toegekend.

Art. 19.
Wijzigingen in aard, opzet of uitvoering die zich tijdens de looptijd van een project voordoen, moeten vooraf aan de minister worden voorgelegd met het oog op een uitdrukkelijke en schriftelijke goedkeuring.

Onderafdeling 2 Hoogte van de projectsubsidie

Art. 20.
§ 1. De maximale inbreng door de Vlaamse overheid in een project bedraagt 60.000 euro per jaar.
De subsidie bedraagt maximaal 85 % van de totale kosten van het project. De overige 15 % moet door andere financieringsbronnen dan de Vlaamse overheid worden gefinancierd.
§ 2. Er wordt geen subsidie toegekend of uitbetaald voor de volgende uitgaven :
1° structurele financiering van algemene werkingskosten van de partners in het samenwerkingsverband;
2° fondsenwervende acties;
3° lobbyactiviteiten;
4° verlengingen van projecten die al gesubsidieerd werden door de Vlaamse overheid, als er geen vernieuwend aspect in vervat zit.
§ 3. Voor duurzame uitrustingsgoederen kan de subsidie niet meer bedragen dan de jaarlijkse afschrijvingswaarde. Ze moeten bovendien gerechtvaardigd zijn in het kader van het project.
§ 4. Binnen de begroting van een project kunnen bedragen worden overgeheveld naar andere individuele kostensoorten als het bedrag van de overheveling niet meer dan 10 % bedraagt van het totale subsidiebedrag.
Na uitdrukkelijke voorafgaande schriftelijke toelating van de minister kunnen binnen de begroting van een project bedragen worden overgeheveld naar andere individuele kostensoorten die meer bedragen dan 10 % van het totale subsidiebedrag.
Die overhevelingen worden in elk geval uitdrukkelijk vermeld in de rapportering.

Onderafdeling 3 Verantwoording en uitbetaling van de projectsubsidie

Art. 21.
De projectsubsidie wordt verantwoord met een eindverantwoording en, als het project een looptijd heeft van meer dan een jaar, een voortgangsrapport.
Met behoud van de algemene regels inzake functionele en financiële verantwoording van de aanwending van projectsubsidies omvat de functionele verantwoording een evaluatie door het samenwerkingsverband met een toetsing aan de indicatoren die in het projectvoorstel geformuleerd zijn.

Art. 22.
De subsidie wordt uitbetaald in minstens twee schijven, rekening houdend met de looptijd en de planning van het project. Het subsidiebesluit bepaalt de voorwaarden daarvoor.
In ieder geval bedraagt de laatste schijf minimaal 15 % van het totaalbedrag en kan ze pas worden uitbetaald na de goedkeuring van de eindverantwoording door de minister.